Historie van BMC

Zestig jaar BMC…een terugblik
Martien Pennings: Skuppen en achter de bal aan
Christje zit al veertig jaar op dezelfde barkruk
D’n Dré ging voor niemand aan de kant
Een sportieve, knoertharde joekel
Zestig jaar BMC…een terugblik



Martien Pennings: Skuppen en achter de bal aan

Martien Pennings (78) is de enige nog levende BMC’er die zestig jaar geleden aanwezig was bij de oprichtingsvergadering van BMC. “Zowel Balkum als Mirroi wilden fuseren, maar in het begin viel dat nog niet zo mee.”

“Er waren in de oorlog wat bommen gevallen en bij MVV was alles kapot”, noemt Martien als belangrijkste reden waarom ze in Middelrode een fusie met VVB uit Berlicum wel zagen zitten. “Bovendien hadden we geen hekel aan elkaar en samen konden we misschien wel wat meer klaarmaken.”

Namens MVV werd de net 18-jarige Martien naar de oprichtingsvergadering gestuurd die op 18 april in het parochiehuis in Berlicum gehouden werd. “Ze wilden bij MVV natuurlijk met zoveel mogelijk man aanwezig zijn bij die vergadering, maar je moest wel achttien zijn. Ik zag het eigenlijk niet zo zitten om te gaan, maar Harrie Geurtjes stond erop. “Jij gaat stemmen, geen gemauw, zei hij. “Dus toen ben ik maar aangefietst.”

En zo was de jonge Martien erbij toen de fusie een feit werd. “Die vergadering verliep vlotjes, maar daarna ontstonden er hier en daar nog wel wat problemen. Er moest van twee verenigingen één club gemaakt worden en dat viel nog niet zo mee.” Een van de obstakels was het vormen van een nieuw eerste elftal. “Spelers die bij MVV of VVB in de basis stonden, werden nu ineens bedankt. Dat gaf natuurlijk trammelant. We hebben lang lopen scharrelen voordat het goed ging.”

tactiek Maar uiteindelijk vond het nieuwe BMC zijn draai. Martien zelf stond al snel in het eerste. Sterker nog, maar liefst vijf broers van de familie Pennings kwamen uit voor het eerste team van BMC. Martien: “Onze Christ, Gerard, Jan, Jo en ik hebben er allemaal ingestaan”. Christ was een hele goeie voetballer. Jo ook, maar die verrèkte het dat hij kwam trainen, dus die stond er zo weer langs. En ook Jan heeft er maar even in het eerste gespeeld, want die brak zijn been.”

Maar Martien was degene die het langst in de selectie speelde. Op zijn veertiende speelde hij zijn eerste wedstrijd voor MVV. Op zijn negentiende voor BMC, wat hij tot zijn 33e volhield. Zelf noemt hij zich een ‘harde’ in het veld. “Ons vader zei altijd dat ik nooit voor een tegenstander aan de kant moesten gaan, dus dat deed ik ook niet. Het was in die tijd sowieso alleen maar lange ballen geven, flink skuppen en achter die bal aan. Een systeem hadden we niet.” En met deze ‘tactiek’ werd Martien vier keer kampioen. “Er stond dan wel duizend man langs de kant om ons aan te moedigen. En als we dan kampioen werden, brak er een waar dorpsfeest los.”

Elftalcommissie Een tijdje zat Martien ook in het bestuur van BMC, onder andere in de elftalcommissie. De elftalcommissie bepaalde wie er zondag speelde en wie niet. Ook werd bepaald wie de eerste, tweede en derde reserve waren. “We gingen dan met de ‘keuzeheren’ naar de wedstrijden en trainingen kijken en maakten daarna de opstelling.” In Frappant -waar Martien van 1958-1980 eigenaar was – werd dan vaak de opstelling gemaakt. “Het ging er vaak op”, lacht hij. “De een wilde die erin, de ander was meer gecharmeerd van een ander. Het was me vaak een boeltje.” Een jaar of twintig geleden -met de komst van trainer Cees de Goey- werd de elftalcommissie afgeschaft. “Maar goed ook, want een trainer weet natuurlijk als beste welke elf er het beste kunnen spelen”. Tegenwoordig volgt Martien de verrichtingen van het eerste vooral via de krant en via teletekst. “Ik kom niet meer zo vaak bij BMC, maar dat betekent niet dat ik niet meeleef met die jongens. Ik ben al zestig jaar een rasechte BMC’er. Dat gaat er nooit meer uit.”



Christje van Aggelen zit al veertig jaar op dezelfde barkruk(overleden 2008)

Een BMC-paraplu onder de kapstok, foto’s van vroeger aan de muur, de Punter op tafel en op zijn puzzelboekje ligt een BMC-pen. Christje van Aggelen (72) is al bijna zestig jaar BMC’er in hart en nieren. “Als BMC verliest heb ik geen lekkere zondag.”

Ruim veertig dienstjaren heeft Christ van Aggelen er bij BMC opzitten. Leider, trainer, voetballer, vlagger, hij heeft het allemaal gedaan. Totdat hij een aantal jaren geleden stopte. “Het was vort om de haverklap opereren, en dan houdt het op een gegeven moment op”, aldus de geboren en getogen Berlicummer. Maar dat hij bij BMC nog altijd een graag geziene gast is, blijkt wel uit het feit dat hij in de kantine een eigen barkruk heeft, op het hoekje bij de bestuurskamer. “Zo kan ik me toch nog af en toe met de zaken bemoeien”, lacht hij. “Als er iemand op mijn kruk zit, gaat hij er meteen vanaf als hij me ziet.. Ik heb al heel wat pilskes gedronken op die kruk. Ik zit daar namelijk al járen.”

Jeugd Dertien jaar was hij toen hij zijn voetbalcarrière begon bij het net opgerichte BMC. Hij voetbalde als rechtsbuiten, maar soms stond hij ook wel eens ergens anders. “We hadden er in die tijd altijd maar net elf. Het kwam allemaal niet zo nauw waar je stond.” Zelf voetballen vond hij leuk, maar zijn echte passie lag bij de jeugd. Daarom ging hij –pas net twintig – samen met Piet Doedee en Piet van de Groenendaal de pas opgerichte junioren van BMC begeleiden. “Van die jong mannen op het veld zien sporten is het mooiste wat er is. Mooier dan zelf voetballen”, aldus Christ. En of zijn jongens nu wonnen of verloren, het maakte hem weinig uit. “Als ze hun best maar deden. Dan kregen na afloop een lekkere ijsco en een glaasje drinken van me.” Op de woensdagmiddagen kreeg hij van zijn baas zelfs vrij om de jeugd te trainen. “Alles wat nu in de kantine zit, heb ik zo’n beetje op het veld gehad”, lacht hij. “Het was een mooie tijd, maar het was wel vaak behelpen. Zo hadden we geen eigen geld. We hebben toen een loterij opgezet om toch aan wat poen te komen. Uiteindelijk konden we van het ingezamelde geld twee kleedkamers bouwen bij de blokhut. Das was natuurlijk hartstikke mooi, want we waren gewend ons na de wedstrijd te wassen in een wastobbe. Vooral in de winter was dat een ellende.” En als de jeugd vroeger uit moest, dan was het fietsen geblazen. Op de fiets naar de wedstrijd, een potje voetballen en weer terug. “Soms waren die jonge mannen al moe als we aankwamen”, aldus Christje. Het werd pas anders toen de 10-jarige Rean van de Groenendaal werd geschept door een auto op weg naar een toernooi in Wijbosch. “Dat was hét dieptepunt in mijn tijd bij BMC”, aldus Christ. “Zo’n jongen gaat voetballen en komt niet meer terug. Na dat ongeluk zijn we bedrijven in Berlicum langsgegaan of ze voor uitwedstrijden een busje beschikbaar wilden stellen. Maar dat daar eerst een jongen voor moet overlijden is natuurlijk verschrikkelijk.”

Saai Een kantine was er in de beginjaren van BMC nog niet, dus wilde je na de wedstrijd van het eerste een biertje drinken, dan moest je wel naar de kroeg. In het begin naar De Gouden Leeuw, later naar De Guld, in de tijd dat Theo Nouwens er in zat. Christ: “Behalve als we tegen Den Dungen moesten en we wonnen, dan gingen we naar de Majorcabar. En als er een weekend niet gevoetbald werd, moest je wel naar de Nouwens, anders kwam je het hele weekend niemand tegen”, lacht hij. Tegenwoordig komt hij nog maar weinig in de kroeg, maar in de rust van het eerste neemt hij altijd even plaats op ‘zijn’ kruk. “Al is het maar om een glaasje sinas te drinken. Die gezelligheid van BMC kan ik gewoon niet missen. En als ik nog ooit een kampioenschap van BMC mag meemaken, dan ga ik mee feestvieren. Al moeten ze me in een rolstoel de kantine weer uitdragen.”



14 mei 2015 overleden.

Dré Martens speelde maar liefst 266 competitiewedstrijden voor BMC 1

D’n Dré ging voor niemand aan de kant.

Wat vinden BMC’ers van André Martens, beter bekend als d’n Dré? “Hij is misschien wel mister BMC”, zegt Alex van Ewijk. “Een blok beton”, aldus Jo van Gorkum. “Met d’n Dré ging je niet lachen”, vindt Klaas van Driel. “Ik ging gewoon voor niemand aan de kant”, zegt d’n Dré zelf. Een gesprek met de man die maarliefst 166 maal scoorde in 266 competitiewedstrijden. En dan hebben we het nog niet eens over al die vriendschappelijke wedstrijden en bekerduels.

Hij speelde zijn eerste wedstrijd bij BMC als 12-jarig jochie. Als keeper, want naar eigen zeggen was hij ‘te wild om te voetballen’. Na twee jaar mocht hij de goal verruilen voor een plekje in de spits, maar soms stond hij ook wel op het middenveld. Na een half jaar in de A1 te hebben gespeeld werd hij op 16-jarige leeftijd bij de selectie gevoegd. “Ik was zowel links- als rechtsbenig en daarom kon ik goed met die grote mannen mee”, aldus Dré. Hij had er dan ook veel voor over om voor het eerste uit te mogen komen, net als de overige selectiespelers. “Op zaterdagavond kwamen we nergens. Je moest op zondag immers fit in het veld staan. Dat haalden we na de wedstrijd wel in hoor, maar als je zondagmiddag niet fit was, stond je erlangs.” Maar d’n Dré stond er nooit langs, of hij moest geschorst zijn. Zoals die ene keer, toen hij zes keer vanaf de kant moest toekijken hoe zijn club het er van af bracht. “Ik werd tijdens een wedstrijd tegen Zwaluw gruwelijk hard op mijn enkels getrapt. Ik werd zo boos dat ik de tegenstander vol in zijn gezicht kliekte. Resultaat was zes wedstrijden schorsing.” En dat was balen, want BMC mét d’n Dré was een beter BMC. “Ik ben nog gevraagd om voor BVV te voetballen, maar dat heb ik niet gedaan, want ik had het bij BMC goed naar mijn zin. Wel ben ik voor het Brabants Elftal uitgekomen. Ik kreeg vaak een extra mannetje op mijn voeten. Tegenstanders wisten wie ik was. Maar ik heb bij BMC ook met goede voetballers gespeeld hoor. We hadden zo’n elftal, met mannen als Broer Jacobs, en Leo Bissels. Daar zijn we nog een paar keer kampioen mee geworden.

Erelid Maar er waren ook dieptepunten. Verliezen van ploegen als Heeswijk, Halder of Den Dungen bijvoorbeeld. “Als je van zo’n club verloor, had je een kooie week”, zegt hij. Maar de échte dieptepunten waren toch de degradaties of een gemist kampioenschap. Zoals begin jaren negentig. BMC speelde de laatste wedstrijd tegen Nulandia, dat onderaan de ranglijst stond. BMC moest winnen, dan waren ze kampioen. Uiteindelijk werd er met 1-2 verloren. “Spelers liepen te janken op het veld”, zegt d’n Dré over die wedstrijd. “Het was verschrikkelijk. Op het sportpark stond een tent om het kampioensfeest te vieren, de broodjes waren gesmeerd en we verknalden het zelf. Uiteindelijk hebben we toch maar een glas bier gepakt en die broodjes opgegeten, want weggooien was ook zonde.”

Hij was 32 toen hij stopte bij het eerste. Jammer, vonden veel mensen, want d’n Dré kon het niveau van BMC nog makkelijk aan. “Maar er zat vort sleet op”, zegt hij zelf over zijn keuze. “Op een gegeven moment was het mooi geweest.” Waar hij tijdens zijn carrière als voetballer al trainer was van de B1 en de A1, ging hij daar na zijn afscheid mee door. Later werd hij ook leider van het eerste, was hij hulptrainer en nam hij elf jaar het tweede onder zijn hoede.

Pas in 1998 stopte hij écht. Hij nam afscheid als erelid. Dik verdiend. Want d’n Dré kon een aardig potje voetballen. Hij ging voor niemand aan de kant en hij zette alles aan de kant voor BMC. Mocht er ooit nog eens een mister-BMC verkiezing worden gehouden, dan is de eerste nominatie bij deze in ieder geval bekend.



Overleden 2014

Toon Bissels speelde tot zijn 58e bij BMC. Nu is hij er nog steeds elke week bij als toeschouwer.(overleden 2013)

Een sportieve, knoertharde joekel.

Zijn vader wilde niet hebben dat hij op voetbal ging, maar uiteindelijk werd Toon Bissels (75) de langst spelende voetballer van BMC. Van zijn achttiende tot zijn 58e was hij elke zondag waarop er in Balkum gevoetbald werd, present. En toen hij dan uiteindelijk toch afscheid nam, kreeg hij spijt als haren op zijn hoofd.

“Ik voetbalde veertig jaar in teamverband en ineens hoorde ik er niet meer bij”, zegt Toon over zijn beslissing om op zijn 58e te stoppen als actief lid. Hij hoorde er natuurlijk nog wel bij – wie veertig jaar wedstrijden speelt is immers BMC’er voor het leven, getuige het erelidschap dat Toon ontving-, maar het voelde anders. “Het jaar nadat ik gestopt was heb ik regelmatig verzucht dat ik die beslissing nooit had moeten nemen”, aldus Toontje.

Maar hij kon er dan ook wat van. Nadat hij eerst een aantal jaren uitkwam voor de lagere elftallen, speelde hij in ruim zes jaar tijd een dikke honderd wedstrijden voor het eerste. Als zestienjarig jochie zeurde hij zijn vader gek of hij lid mocht worden van BMC. Tevergeefs. Toch ging hij wekelijks van huis om in Mirroi een middagje voetbal te kijken, en toen hij dan eindelijk achttien werd, betaalde hij zijn eerste contributie. “Het mocht niet van thuis”, aldus Toon. “Maar ik wilde al zó lang en zó graag lid worden van BMC, dat ik het gewoon maar heb gedaan. En ik heb er nooit spijt van gehad.” Dat blijkt ook wel, want van het eerste tot de veteranen, hij heeft zo’n beetje alle elftallen doorlopen en op alle velden waar BMC zijn thuis had, heeft hij gespeeld. Op het kermisterrein bijvoorbeeld, bij De Gouden Leeuw. “Als ik daar toch aan terugdenk”, lacht Toon. “Op zondag gingen we daar dansen, in de winterdag moesten we er op maandag trainen. Ongelooflijk.”

Maar het was sowieso allemaal anders, ruim vijftig jaar geleden. Niks met auto’s naar uitwedstrijden, daarna lekker douchen en de kantine in. Het was bikkelen geblazen. Op de fiets naar Den Bosch voor een wedstrijd tegen RKJVV. Toon: “Na het fluitsignaal kon je je dan een beetje wassen in de sloot. In de winterdag had ik me dan snel gewassen hoor. En het fietsen… soms maakte je het mee dat je een heel eind gefietst had en dat de wedstrijd dan werd afgelast. Dan baalde je als een stekker. Dan wilde ik het liefst toch voetballen, desnoods in de blubber.”

Kampioen Een tijdje was hij uit de roulatie. In 1953 –het weekend van de watersnood- brak hij zijn been. Zijn revalidatie duurde ruim een half jaar –“de verzorging was toen nog niet zoals nu”- maar uiteindelijk stond hij weer in het eerste, op zijn vertrouwde plek als rechtshalf. Niet meer zo goed als voorheen want Toon had ‘vort een bietje schrik gekregen’. Toch werd hij in 1954 kampioen. In het Wijbosch. Toon: “We moesten winnen om kampioen te worden en toen dat lukte was het één groot feest. Alle spelers kregen van Jaan van de Ven/ Swanenberg een pakje sigaretten. Heel Balkum zat in De Gouden Leeuw om feest te vieren. Fantastisch.”

Kampioen is hij nog vaak geworden. In het seizoen 65/ 66 bijvoorbeeld. Toos Bissels, getrouwd met Toon verzucht: “Toen speelden ze nog in van die strakke tricod shirtjes. Die kreeg je bijna niet schoon.” Toch hadden die shirtjes een groot voordeel: je trok ze meteen kapot. “Dat was vervelend, maar aan de andere kant had je niet dat shirtjes hangen wat tegenwoordig zo in is. Daar erger ik me bij het voetbal van tegenwoordig aan. Dat getrek en geduw. Dat is toch nergens voor nodig”, aldus Toon. Zelf was Toon naar eigen zeggen een ‘harde’ op het veld, maar sportief was hij ook. Nooit heeft hij ook maar één gele kaart gekregen. Voor een bekerwedstrijd in de jaren vijftig kwamen ze hem zelfs vlak voor de wedstrijd thuis ophalen. “Er was iemand geblesseerd en ze zochten nog een harde joekel”, lacht Toon. “Ze kwamen me thuis halen en brachten me rechtstreeks naar het veld.”

Tot zijn 58e bikkelde hij verder bij de veteranen, waar hij nog vaak kampioen mee werd. “Het was altijd weer feest na zo’n kampioenschap”, zegt hij met pretoogjes. “Ik heb heel wat mooie feestjes gehad bij BMC, maar feest hóórt ook bij de club.” De slechtste van het veld was hij –ondanks zijn leeftijd- nog lang niet toen hij uiteindelijk toch zijn voetbalschoenen aan de wilgen hing. Na zijn afscheid was hij nog een paar keer in de week op het sportpark te vinden om allerlei klussen te doen: de goals en de reclameborden wassen, lijnen trekken, de tribune schoonmaken en een feesttent opzetten bij bijzondere gebeurtenissen bijvoorbeeld. En nog steeds is hij elke zondag van de partij om de verrichtingen van het eerste en tweede te volgen. Kortom: het is voor de club maar goed dat de toen achttienjarige Toontje het advies van zijn vader om nooit bij BMC te gaan niet heeft opgevolgd!
Terug naar boven